|
|
|
- Een overzicht van de herkwalificatie van
de intresten van voorschotten tot dividenden EEN OVERZICHT VAN DE HERKWALIFICATIE VAN DE
INTRESTEN VAN VOORSCHOTTEN TOT DIVIDENDEN (ARTIKEL 18, lid 1, 4° WIB/92) A. Beginsel Onder de voorwaarden van artikel 18, lid 1, 4° van het WIB/92 kunnen
bepaalde intresten van voorschotten worden geherkwalificeerd tot dividenden,
indien één van de twee grenzen die door de tekst worden gesteld, wordt
overschreden en in de mate van die overschrijding. A.1. De eerste grens betreft de naleving van de bepalingen van artikel 55
van het WIB/92 dat als volgt luidt: "Intrest van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere
effecten ter vertegenwoordiging van leningen worden slechts als beroepskosten
aangemerkt in zover zij niet hoger zijn dan een bedrag dat overeenstemt met
de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet rekening houdend met de
bijzondere gegevens eigen aan de beoordeling van het aan de verrichting
verbonden risico en inzonderheid met de financiële toestand van de
schuldenaar en met de looptijd van de lening. […]" Deze bepaling legt de verplichting op dat de rentevoet van het
voorschot de rentevoet moet in acht nemen die op de markt wordt toegepast
voor een lening van hetzelfde type. Art. 56 van het WIB/92 preciseert echter
dat voor de toepassing van artikel 55 van het WIB/92 geen enkele beperking
wordt toegepast voor sommen betaald door of aan kredietinstellingen, evenmin
als op de intrest die wordt betaald aan bepaalde financiële ondernemingen,
verzekeringsondernemingen, hypotheekondernemingen, leasing-, investerings- of
beleggingsmaatschappijen met een gereglementeerd statuut. A.2. De tweede grens houdt verband met de grootte van de geleende bedragen
in vergelijking met het vermogen van de ontlenende vennootschap. Wanneer het totale bedrag van de voorschotten die aan een vennootschap
worden toegestaan, groter is dan het bedrag van de belaste reserves bij het
begin van het belastbare tijdperk, verhoogd met het gestort kapitaal op het
einde van het belastbare tijdperk, wordt de intrest van deze voorschotten in
de mate van die overschrijding geherkwalificeerd tot dividenden. De Administratie aanvaardt dat indien het bedrag van de belaste
reserves bij het begin van het tijdperk negatief is, het voor de beoordeling
van de naleving van de tweede grens niet in mindering wordt gebracht van het
gestort kapitaal, maar gewoon als nul wordt beschouwd . (1) In een dergelijk geval mag het voorschot alleen niet hoger zijn dan
het bedrag van het gestort kapitaal op het einde van het tijdperk. A.3. Wanneer een voorschot maar gedeeltelijk intrest voortbrengt, is de
Minister van Financiën van oordeel dat de criteria globaal moeten worden
beoordeeld, wat natuurlijk een bestraffing inhoudt ten opzichte van de tweede
beperking(2) . Dit standpunt van de belastingadministratie is echter
begrijpelijk voor zover de mogelijkheid eenzelfde voorschot kunstmatig te
splitsen, de draagwijdte van deze tweede grens tot nul zou herleiden. Niet elk voorschot dat aan een vennootschap wordt toegestaan, wordt
door de tekst beoogd aangezien het voorschot maar een herkwalificatie kan
meebrengen indien het van een bijzondere aard is en wordt toegestaan aan een
bepaald type van personen. B. Aard van de voorschotten die onderworpen zijn
aan herkwalificatie De wet van 20 november 1962 heeft voor het eerst in België een stelsel
van herkwalificatie van intresten tot dividenden ingevoerd. Die wet beoogde
echter enkel de intresten van voorschotten die werden toegestaan aan
personenvennootschappen (artikel 15, lid 2, 2° van het vroegere WIB). De wet van 28 juli 1992 heeft dit stelsel gewijzigd en het verruimd
tot alle vennootschappen, ongeacht of het kapitaal- dan wel
personenvennootschappen betreft. Krachtens artikel 18, lid 2 van het WIB/92, zoals gewijzigd bij wet
van 28 juli 1992 "wordt als voorschot beschouwd elke al dan niet door
effecten vertegenwoordigde geldlening". In deze vroegere formulering deed de kwalificatie die aan het
voorschot werd gegeven er weinig toe. Een voorschot kon bijgevolg onder meer
bestaan in een te betalen bezoldiging, een voorschot in rekening-courant, een
verkoopprijs betaalbaar op termijn, een obligatielening, een certificaat van
grondeigendom enz.. . (3) De huidige versie van artikel 18, 4° van het WIB/92 is het resultaat
van een wijziging die werd aangebracht bij koninklijk besluit met bijzondere
machten van 20 december 1996. Voortaan kunnen enkel de intresten van een
voorschot dat is toegestaan in de vorm van "een geldlening, al dan
niet vertegenwoordigd door effecten" worden geherkwalificeerd. In het verslag aan de Koning wordt gepreciseerd dat het woord "lening"
verwijst naar het idee van een contract en dat opdat de herkwalificatie wordt
toegepast de lening betrekking moet hebben op geld. Het begrip "lening"
en meer in het bijzonder het begrip "geldlening" is dus
beperkender dat het begrip "schuldvordering" aangezien het betekent
dat "de personen bedoeld door artikel 18 aan de vennootschap een
bepaalde geldsom ter beschikking stellen, waarbij laatstgenoemde dezelfde
hoeveelheid geld moet teruggeven" (4), overeenkomstig de definitie
die aan de overeenkomst tot een lening van geld wordt gegeven door artikel
1895 van het Burgerlijk Wetboek De leningsovereenkomst heeft als essentieel kenmerk een zakelijk
contract te zijn, wat betekent dat ze slechts rechtsgeldig wordt gesloten
tegen overhandiging van het voorwerp waarop ze betrekking heeft. Sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 december
1996 is bijgevolg enkel de intrest van schuldvorderingen die zijn ontstaan
uit de overhandiging of de overdracht van een geldsom nog onderworpen aan een
eventuele herkwalificatie. Uit hetgeen voorafgaat dient te worden geconcludeerd dat de
schuldvorderingen die zijn ontstaan in hoofde van vennoten tengevolge van de
toekenning van betalingsvoorwaarden voor de aankoop van goederen of
bijvoorbeeld de niet-betaling van een bezoldiging als dusdanig niet kunnen worden
gelijkgesteld met geldleningen sensu stricto, ongeacht of zij al dan niet op
een rekening-courant worden geboekt. Dergelijke schuldvorderingen vloeien
immers geenszins voort uit een overhandiging van fondsen. Ten slotte dient opgemerkt te worden, dat door de tekst van artikel
18, 4°, lid 2 uitdrukkelijk worden uitgesloten van het toepassingsgebied van
de voorschotten die aanleiding kunnen geven tot herkwalificatie: - obligaties en andere gelijksoortige effecten, uitgegeven door een
openbaar beroep op het spaarwezen - geldleningen aan coöperatieve vennootschappen die zijn erkend door
de Nationale Raad van de Coöperatie C. Persoonlijkheid van de schuldeiser Opdat de intrest van een voorschot in aanmerking komt voor
herkwalificatie, moet het zijn verstrekt: - Hetzij door een natuurlijk persoon, al dan niet verblijfshouder,
vennoot van de vennootschap waaraan het voorschot wordt toegestaan of die bij
die vennootschap een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of
gelijkaardige functies uitoefent, bedoeld bij artikel 32, lid 1, 1° van het
WIB/92. - Door een rechtspersoon, al dan niet een vennoot, die in de
vennootschap aan wie het voorschot wordt toegestaan, een opdracht als
bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijkaardige functies uitoefent,
bedoeld bij artikel 32, lid 1, 1° van het WIB/92. Worden echter niet bedoeld
de rechtspersonen die onderworpen zijn aan de Belgische
vennootschapsbelasting. Het hoeft ons nauwelijks te verbazen dat het toepassingsgebied van
artikel 18, 4° werd verruimd tot de voorschotten die worden toegestaan door
de echtgenoot van de hierboven bedoelde natuurlijke personen, alsmede door
hun kinderen, indien deze natuurlijke personen (of hun echtgenoot) beschikken
over het wettelijk genot van hun inkomsten. Geen enkele herkwalificatie wordt toegepast op de voorschotten die
worden toegestaan door rechtspersonen die in België zijn onderworpen aan de
vennootschapsbelasting. Men kan zich vragen stellen bij het eventuele bestaan
van een discriminatie ten nadele van de niet-verblijfhoudende vennootschappen
die, op dezelfde voorwaarden van een Belgische vennootschap, een geldlening
zouden toestaan aan een Belgische vennootschap. Wij zijn van oordeel dat deze regeling compleet in strijd is met het
beginsel van het vrije verkeer van kapitaal dat door het Verdrag van de
Europese Unie wordt gegarandeerd. Ten slotte, zoals door C. Chéruy wordt onderstreept, kan men zich
verbazen over de onsamenhangendheid van het Belgische belastingsysteem voor
zover: § wanneer een vennootschap met zetel in een belastingparadijs een
lening toekent aan een Belgische vennootschap, het bedrag van de sommen die
door deze "gedefiscaliseerde" vennootschap worden geleend, hoger
moet zijn dan zeven maal de som van de belaste reserves van de
ontlenende vennootschap bij het begin van het belastbare tijdperk en haar
gestort kapitaal op het einde van dit tijdperk opdat een gedeelte van de
betaalde intrest wordt verworpen als niet-aanvaarde uitgaven (artikel 198,
11° WIB/92); § wanneer een buitenlandse vennootschap die normaal is onderworpen aan
een belasting die vergelijkbaar is met de Belgische vennootschapsbelasting,
een lening toekent aan een Belgische vennootschap waarin zij een functie
uitoefent, bedoeld bij artikel 32 van het WIB/92, de ontlenende vennootschap
de mogelijkheid verliest de intrest af te trekken die wordt betaald als
vergoeding voor deze lening voor zover de ontleende sommen hoger zijn dan eenmaal
de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en
haar gestort kapitaal op het einde van dit tijdperk .(5) D. Dubbele gelijktijdige beperking De beide beperkingen, bedoeld bij artikel 18, 4° van het WIB/92 zijn
gelijktijdig van toepassing. Ingeval de twee grenzen worden overschreden,
stelt men vast dat de administratieve commentaar een trapsgewijze toepassing
voorschrijft van de twee criteria tot herkwalificatie van de intrest. De Administratie gaat eerst over tot een afwijzing op grond van de
marktrente. Het gedeelte dat op basis van dit eerste criterium niet tot dividenden
wordt geherkwalificeerd, wordt dat vervolgens wel in de mate dat het
voorschot hoger is dan het bedrag van de reserves en het gestorte kapitaal. Dit administratieve standpunt lijkt vatbaar voor kritiek en gaat in
elk geval verder dan de bepalingen van artikel 18 van het WIB/92, voor zover
men op basis van de tekst kan stellen dat de toepassing van de twee
beperkingen afzonderlijk moet gebeuren en dat de herkwalificatie maar kan
gebeuren naar rata van het hoogste van de twee bedragen die moeten worden
geherkwalificeerd volgens elk van deze grenzen. Voor zover ons bekend is, heeft tot dusver nog geen enkele
gerechtelijke uitspraak dit probleem beslecht. E. Aanslag In hoofde van de ontlenende vennootschap leidt de herkwalificatie van
de intresten tot dividenden tot een evenredige verhoging van de grondslag van
de belasting aangezien het bedrag van het dividend dat uit deze
herkwalificatie voortvloeit, niet wordt goedgemaakt door enige onttrekking
aan de reserves. Indien de grens, bepaald bij artikel 55 van het WIB/92 wordt
overschreden en artikel 18 van het WIB/92 gelijktijdig moet worden toegepast,
wordt het geherkwalificeerde bedrag van de intresten enkel vermeld in de
rubriek "uitgekeerde dividenden" van de aangifte in de
vennootschapsbelasting van de ontlenende vennootschap en moet het bovendien
niet worden aangegeven als niet-aanvaarde uitgaven. De ontlenende vennootschap is er trouwens toe gehouden de roerende
voorheffing op de dividenden in te houden op het geherkwalificeerde bedrag
van de uitgekeerde intresten, behalve indien zij een wettelijke of
reglementaire vrijstelling geniet. Voor de schuldeiser, indien het om een gewone vennoot-natuurlijke
persoon gaat die de effecten die dividenden voortbrengen niet gebruikt voor
de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, heeft de inhouding van de
roerende voorheffing een delgend karakter, dat hem ervan ontslaat het
ontvangen dividend te vermelden in zijn aangifte in de personenbelasting
(artikel 313 van het WIB/92). Ingeval hij de effecten beroepshalve gebruikt, worden de ontvangen
dividenden gelijkgesteld met winsten van de desbetreffende
beroepswerkzaamheid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 37 van het
WIB/92. De roerende voorheffing die door de uitkerende vennootschap wordt ingehouden
verliest dan haar delgend karakter, maar kan worden verrekend met de
belasting die door de betrokkene is verschuldigd (tegen de voorwaarden,
bepaald bij de artikelen 281 en 282 van het WIB/92) en is terugbetaalbaar
indien het bedrag ervan hoger is dan diezelfde belasting. Indien de schuldeiser een natuurlijk persoon is die binnen de
ontlenende vennootschap houder is van een opdracht, bedoeld bij artikel 32
van het WIB/92, behouden de tot dividenden geherkwalificeerde interesten het
karakter van roerende inkomsten en zijn zij in principe niet belastbaar als
bezoldigingen van een bedrijfsleider, aangezien het attractiebeginsel niet
van toepassing is op dit soort van inkomsten.(6) Indien de schuldeiser ten slotte een rechtspersoon is die onderworpen
is aan de vennootschapsbelasting, verliest de voorheffing eveneens haar
delgend karakter, maar is zij in principe verrekenbaar en terugbetaalbaar
(artikelen 281 en 282 van het WIB/92). Het ontvangen dividend kan echter
gedeeltelijk (95%) worden vrijgesteld van belasting indien de voorwaarden die
worden gesteld aan het genot van het stelsel van de Definitief Belaste
Inkomsten zijn vervuld (artikelen 202 en volgende van het WIB/92). _____________________ |