Een vraag die  meermaals wordt gesteld, is of een dividenduitkering interessant is en wat de bijkomende impact hiervan is.  Ook het toepasbaar tarief inzake de roerende voorheffing is niet altijd duidelijk.  Het antwoord op deze vraag is niet zo vanzelfsprekend en hangt af van een aantal zaken.

Wat is de totale kostprijs van een dividenduitkering ?

 

 

Winst voor VENB

VENB

Netto winst

 

RV

Netto dividend

Globale belastingdruk

 

 

 

 

 

 

 

 

VENB 33,99 %  

100

33,99

66,01

RV 25 %

16,5

49,51

50,49%

 

 

 

 

 

 

 

 

VENB 33,99 %

100

33,99

66,01

RV 15 %

9,9

56,11

43,89%

 

 

 

 

 

 

 

 

VENB 24,98 %

100

24,98

75,02

RV 25 %

18,76

56,26

43,74%

 

 

 

 

 

 

 

 

VENB 24,98 %

100

24,98

75,02

RV 15 %

11,25

63,76

36,24%





Tarief roerende voorheffing bij een dividenduitkering

In principe bedraagt het tarief roerende voorheffing op een dividend 25 %.  Maar er bestaat ook een verlaagd tarief roerende voorheffing van 15 %. Dit verlaagd tarief is van toepassing op de dividenden van aandelen die vanaf 1 januari 1994 werden uitgegeven (verder bespreken we enkel die aandelen waar geen beroep werd gedaan op het openbaar spaarwezen).

Om het tarief van 15 % te kunnen genieten moeten we kijken naar de (overvloedige) voorwaarden van art 269 W.I.B. 1992.

De eerste voorwaarden zijn  :

de aandelen zijn uitgegeven ter vergoeding van een inbreng in geld;

de aandelen mogen geen enkel toegekend voorrecht genieten;

de aandelen moeten vanaf hun uitgifte op naam staan of de aandelen moeten vanaf hun uitgifte gedeponeerd zijn in een dossier open bewaargeving bij een bank.

Maar er dienen nog een aantal bijkomende voorwaarden in de gaten gehouden te worden.  Voorwaarden die dikwijls over het hoofd gezien worden.

Opgelet : de intrest die geherkwalificeerd wordt als dividend voldoet niet aan de opgelegde voorwaarden en kan dan ook niet genieten van de roerende voorheffing van 15 % (Com IB 261/84).

De vennootschap mag geen overname doen van besmetteactiva van besmettepersonen.

Deze besmetteactiva zijn :

goederen die vóór 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werden gebruikt door de aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot van de vennootschap die de overdracht verkrijgt

(de zogenaamde besmettepersonen).

aandelen die die deel hebben uitgemaakt van het privaat vermogen (opgelet hier werd geen periode bepaald) van de aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot van de vennootschap die de overdracht verkrijgt

goederen die voor 1 januari 1994 hebben toebehoord aan een vennootschap waar de overdrager aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot was.

Concreet betekent dit dat wanneer een natuurlijk persoon in 1995 een BVBA oprichtte met een inbreng in geld, de verlaagde roerende voorheffing niet in aanmerking komt, wanneer wanneer er een quasi-inbreng toegepast werd van activa die door hem reeds voor 1 januari 1994 beroepsmatig werden aangewend.

Dit betekent ook dat een vennoot die in 2005 een BVBA (holding) met 20 000 EUR geld oprichtte en de aandelen van zijn bestaande exploitatievennootschap heeft verkocht aan deze holding, deze holding voor de roerende voorheffing van 15% niet in aanmerking komt.

 

Wat zijn de bijkomende fiscale gevolgen van een dividenduitkering ?

Door een dividenduitkering daalt het eigen vermogen van de vennootschap.  Deze daling geeft fiscaal een aantal niet onbelangrijke gevolgen :

Financiële vennootschap en het verlaagd tarief VENB :

Art. 215 derde lid, 1° W.I.B. 1992 stelt dat het verlaagd tarief niet van toepassing is wanneer de vennootschap aandelen bezit waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 pct., hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden.

Om te bepalen of de grens van 50 pct. overschreden is, worden de aandelen die ten minste 75 pct. vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen.

Wanneer de vennootschap een dividenduitkering realiseert, dan verlaagt deze grens van de helft van het eigen vermogen.   Hierdoor verspeelt de vennootschap mogelijk het verlaagd tarief nu en in de toekomst, tenzij een deel van de aandelenportefeuille mee verdwijnt.

 

Dividenduitkering en het verlaagd tarief VENB (art 215 derde lid, 3° W.I.B. 1992) :

 

Vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 pct. van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk, verliezen evenzeer het verlaagd tarief.  Dit betekent echter niet dat naar de toekomst het verlaagd tarief niet meer zou kunnen genoten worden.  Een planning in de dividenduitkeringen is dan ook van belang.

Het kan ook een optie zijn om het jaar van de dividenduitkering te laten samenvallen met het jaar dat de vennootschap extra kosten heeft (vb groepsverzekering, vooruitbetaling van de huur, & ).

Notionele intrestaftrek

Het spreekt voor zich dat door de dividenduitkering het eigen vermogen van de vennootschap daalt en dat hierdoor de vennootschap ook minder de notionele intrestaftrek kan genieten.  De notionele intrestaftrek wordt immers berekend op het (gecorrigeerd) eigen vermogen.  Ook hier zal een dividenduitkering een impact hebben.

Rekening courant

Artkel 18, eerste lid, 4° W.I.B. 1992  stelt :

Dividenden omvatten : interest van voorschotten wanneer één van volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijding :

- ofwel de in artikel 55 gestelde grens,

- ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.

Wanneer er ook hier een dividenduitkering plaats vindt, zal het grensbedrag tot welk bedrag een intrest op een vordering (geldlening) mag uitbetaald worden, verlagen.

In de marge hierbij, wordt bij de oprichting van een vennootschap dikwijls geopteerd voor de overdracht van de éénmanszaak (goodwill, materieel, &)  voor een gedeelte als kapitaal en een gedeelte via rekening courant.  Dit om de problemen met de administratie te vermijden inzake de notie geldlening (zie Circulaire nr. Ci.RH.231/543.949 (AOIF 2/2005) dd. 11.01.2005).  Het is duidelijk dat de keuze om te werken met de helft kapitaal (inbreng in natura) en de andere helft via rekening courant wel als gevolg heeft dat de roerende voorheffing van 15 % niet zal kunnen genoten worden.

Investeringsreserve

Vanaf aj. 2004 kunnen vennootschappen die in aanmerking komen voor het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting in aanmerking komen voor de investeringsreserve (art. 194 quater W.I.B. 1992).  Dit betekent dat 50 % van het gereserveerde resultaat (beperkt tot 18.750 EUR per belastbaar tijdperk) van het belastbaar tijdperk vrijgesteld wordt van vennootschapsbelasting.  Een aantal correcties worden echter nog wel doorgevoerd.

Ook hier betekent een grote dividenduitkering meestal (cfr supra) dat de vennootschap dat jaar niet geniet van het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting en dus de investeringsreserve dat jaar eveneens niet geniet.

Voorafbetalingen belastingen

Met ingang van aanslagjaar 2004 is er een vrijstelling van belastingvermeerdering ingeval van geen of onvoldoende voorafbetalingen van toepassing, voor die vennootschappen die onderworpen zijn aan het verlaagd opklimmend tarief van de vennootschapsbelasting.

Deze vrijstelling is beperkt in de tijd van toepassing, n.l. op de eerste drie boekjaren vanaf de oprichting van de vennootschap (art. 218 §2 W.I.B. 1992)

Besluit

 

Het is duidelijk dat de vraag of een dividenduitkering al dan niet interessant is in het licht van deze zaken moet afgewogen worden.  Mogelijk zijn er ook nog andere overwegingen die een dividenduitkering al dan niet interessant maakt.

De praktijk leert echter dat vennootschappen die in aanmerking komen voor de 15 % roerende voorheffing een dividenduitkering overwegen.  Immers vandaag is bij het liquideren van een vennootschap ook reeds een tarief van 10 % verschuldigd.

 

            De aanslagvoet van de roerende voorheffing is vastgesteld:

1° op 15 % voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn, alsmede voor diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 5° tot 7°;

2° op 25 % voor de dividenden andere dan deze vermeld in 2°bis;

2°bis op 10 pct. voor uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap of van verkrijging van eigen aandelen door een dergelijke vennootschap;

3° tegen een aanslagvoet van 10, 15, 20 of 25 pct., de in artikel 90, 11°, bedoelde vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot, naargelang de toepasbare aanslagvoet op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op de in artikel 90, 6° bedoelde loten, waarop die vergoedingen betrekking hebben.

De aanslagvoet van 25 pct. wordt evenwel verlaagd tot:

1° 20 pct. voor dividenden van aandelen die inbrengen in geld vertegenwoordigen die in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in Belgische vennootschappen en die zijn verleend of toegekend voor de vijf, de tien of de negen eerste boekjaren waarvoor die inkomsten van personenbelasting zijn vrijgesteld krachtens artikel 3, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 15;

2° [15 pct.] voor dividenden van in 1° vermelde aandelen die genoteerd zijn op een beurs voor roerende waarden wanneer de vennootschap die de inkomsten uitkeert onherroepelijk heeft verzaakt aan de overdracht, op de aan de desbetreffende aandelen uitgekeerde inkomsten:

- van de belastingbesparing die uit de terzake voorziene vrijstelling van vennootschapsbelasting voortvloeit;

- van het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de bedoelde vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waaraan de desbetreffende vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen.

Voor zover de vennootschap die de inkomsten uitkeert niet onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van deze verlaging, wordt de aanslagvoet van 25 pct. eveneens verlaagd tot 15 pct. voor de volgende dividenden:

a) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden;

b) dividenden van aandelen die, vanaf hun uitgifte hetzij het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever, hetzij in België in open bewaargeving zijn gegeven, waarvan de Koning de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen, wanneer die aandelen werden uitgegeven vanaf 1 januari 1994 ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal en overeenstemmen met inbrengen in geld;

c) dividenden uitgekeerd door beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.

d) dividenden van aandelen uitgekeerd door vennootschappen die op een beurs voor roerende waarden genoteerd zijn of waarvan een deel van het kapitaal is ingebracht door een PRIVAK en die de voorwaarden, vermeld in artikel 201, eerste lid, 1°, vervullen:

- voor de periode tussen 1 juli 1997 en de datum waarop de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om vennootschappen die reeds op een beurs voor roerende waarden waren genoteerd vóór 1 juli 1997;

- voor de periode tussen de datum van hun toelating op een beurs voor roerende waarden en de datum van de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden die na datum plaats heeft, wanneer het gaat om andere vennootschappen.

e) de dividenden toebedeeld door een coöperatieve participatievennootschap in het kader van een participatieplan bedoeld in artikel 2, 7° van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen, aan de toegetreden werknemers, bedoeld in artikel 2, 19°, van deze wet, in de mate dat de door de coöperatieve participatievennootschap ontvangen dividenden, bij gebrek aan vrijstelling, zouden genoten hebben van de aanslagvoet van 15 %.

De in het tweede lid, 2°, en in het derde lid, a en b, bedoelde aanslagvoet van 15 pct. is slechts van toepassing voor zover de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben geen enkel voorrecht toekennen ten opzichte van de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen.

Voor de in het derde lid, a en b, vermelde vennootschappen die na 31 december 1993 hun kapitaal verminderen, worden de kapitaalverhogingen waartoe zij overgaan slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen.

Deze kapitaalverhogingen worden evenwel geheel in aanmerking genomen wanneer de kapitaalverminderingen beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

Worden geacht aan de in het zesde lid vermelde voorwaarde te beantwoorden, de kapitaalverminderingen gebruikt om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om onbeschikbare reserves aan te leggen.

Ingeval van overdracht door de natuurlijke personen of rechtspersonen door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, of, in geval van oprichting bij openbare inschrijving, die de ontwerp-oprichtingsakte hebben ondertekend, door de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap die de overdracht verkrijgt van, hetzij goederen die vóór 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend, hetzij aandelen die deel hebben uitgemaakt van hun privaat vermogen, hetzij goederen die hebben toegehoord aan een vennootschap waarvan zij vóór 1 januari 1994 aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten waren, wordt alleen het bedrag van die inbreng in geld, dat meer bedraagt dan de overdrachtprijs, in aanmerking genomen voor de toepassing van het derde lid, a en b.

Het achtste lid is van toepassing op de overdracht gedaan door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die in eigen naam, maar voor rekening van een in dat lid vermelde persoon, handelt.

In de mate dat de in het tweede lid, 2°, en in het derde lid, a en b, vermelde aandelen, worden omgeruild tegen aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 naar aanleiding van een fusie, een splitsing of het aannemen van een andere rechtsvorm tot stand gebracht in toepassing van hetzij de artikelen 211, § 1 of 214, § 1, hetzij van bepalingen van gelijke aard van een andere lidstaat van de Europese Unie, blijven de bepalingen van dit artikel inzake de omgeruilde aandelen, bij voortduur vantoepassing op de in ruil ontvangen aandelen, alsof de verrichting niet had plaatsgevonden.

 

In geval van uitgifte van aandelen die worden vertegenwoordigd door een mantel met een couponblad waarvan de coupons het recht op dividend vertegenwoordigen, en een couponblad « STRIP-VV », en in afwijking van het tweede lid en het derde lid, a, is de aanslagvoet van 15 pct. van toepassing, voor zover de dividenden betaald worden :

 

1° tegen gelijktijdige afgifte van een coupon die het recht op dividend vertegenwoordigt, en een coupon « STRIP-VV » met hetzelfde volgnummer, en

2° in een tijdperk van drie jaar dat aanvangt op 1 januari van het jaar waarin het dividend wordt toegekend.
17b365.jpg 17b4a5.jpg